Skip to content

Overlijden Rie Verbraeken-Blommaart

Hontenisse, 18 maart 1921 – Beverwijk, 21 mei 2026
Zij was de laatste, nog levende, Haarense gevangene

Rie Blommaart tijdens de vriendendag van de Gedenkplaats Kamp Haaren op 23 oktober 2021.

Op 18 maart 1921 werd verzetsstrijdster Rie (officieel Marie) Blommaart in Hontenisse (Lamswaarde) in Zeeuws-Vlaanderen geboren. Eind 1942 raakte ze bij het verzet betrokken. Haar moeder werd benaderd met de vraag, of ze iemand wist die pakjes met bonkaarten kon bezorgen op onderduikadressen van gevluchte Joden, verzetsdeelnemers en Engelse piloten. Die antwoordde: ‘Ja, dat doet ons Marie wel!’

Rie wordt in verschillende boeken, onder andere over verzetsvrouwen, beschreven. Zelf publiceerde ze over haar oorlogsjaren het autobiografische boek Boerenknollen en geklutste eieren (2008), een boek dat de rol van de gewone vrouw in het verzet beschrijft. Tot voor enkele jaren gaf ze op scholen nog voorlichting over haar oorlogservaringen. Ook werd ze uitgebreid geïnterviewd over wat ze meemaakte voor de film Kamp Haaren, Leven tussen vrees en vrijheid, die cineaste Ellen van Kempen maakte. Toen die film, voor de eerste keer, in Haaren te zien was (Vriendendag, 23 oktober 2021) was Rie de belangrijkste gast. Alle aanwezigen vonden het fantastisch om haar, ze was toen al over de honderd jaar, zo ongelooflijk bevlogen te horen spreken. Wat is haar verhaal in een notendop?

Arrestatie en Kamp Haaren. Op 12 oktober 1943 kwamen, nadat iemand haar naam genoemd had, twee Duitse soldaten haar thuis ophalen. Rie werd verhoord, maar liet niets los. Wel vonden ze haar schuldig. Daarom werd ze naar de gevangenis gebracht, die gevestigd was in het Haarense Grootseminarie. Daar kreeg ze gevangenennummer Ha-2233. ‘s Avonds stopten ze haar, samen met verzetsstrijdsters Hetty Voûte, Wies van Leeuwen en Leonie Overgoor in een cel. Celgenote Hetty vertelde dat ze haar vuile was naar haar ouders mocht sturen. Ze liet me zien dat ze in de zomen van haar vuile handdoeken korte berichten voor hen borduurde. Rie vroeg Hetty of ze, via haar vuile was, ook berichten aan haar ouders mocht sturen. Dat kon. Rie’s moeder bewaarde de geborduurde handdoeken en stuurde haar steeds een nieuwe handdoek terug.’

Rie ontsteekt met enkele Haarense kinderen de herdenkings- kaars tijdens de vriendendag op 23 oktober 2021).

Na een week verhoren, die voor de Duitsers op niets uitliepen, kreeg ze eenzame opsluiting. Ze mocht niet luchten en kreeg geen boeken. Alle ramen waren dichtgetimmerd. Alleen bovenin was er een streepje licht te zien. Plaatste ze de stoel op haar bed, dan kon ze door die spleet op de binnenplaats kijken. Naast de wasbak zat achter het behang een klein gat in de muur. Daardoor kon ze met haar oude celgenoten praten. Rie maakte het gat iets groter. Op mijn handdoek borduurde ze voor haar ouders: ‘Alleen in een cel, maar maak het goed.’ Deze schoof ze, stijf opgerold, door het gat naar Hetty. Zij gaf mij een schone handdoek terug en borduurde aan haar ouders:  ‘Deze handdoek naar bakkerij in Lamswaarde sturen’. Zo wisten mijn ouders van mijn situatie in kamp Haaren. Vijf maanden zat Rie in eenzame opsluiting. 

Kamp Vught. ‘In maart 1944 werden ze overgebracht naar kamp Vught. Het was heerlijk om buiten de gevangenis te komen op de reis ernaartoe. In Vught lagen ze op een zaal met veertig  bedden. Daar moesten ze alle bezittingen afstaan en kregen ze kampkleding en klompen uitgereikt. In de ‘Bekleidungskammer’ (= het kledingmagazijn), moest Rie werken. Ter plekke was het regime heel streng. De Duitse kampbewakers deelden er wrede straffen uit. De mannen moesten in de ijzige kou urenlang rennen. Eens zag ze vier mannen naakt hun eigen kleding weer aandoen in het mannengedeelte van de Bekleidungskammer. Twee Duitse bewakers stonden erbij te roken en één van hen zei: ‘Sie werden erschossen!’ De Joodse mannen liepen een voor een langs haar heen. Rie durfde hen niet eens gedag te zeggen. Ze was zo ziek van angst, dat ze direct naar de wc liep om over te geven. Ze voelde zich machteloos en bezwaard over haar eigen zwijgen. Dit vreselijke moment kwam vaak terug in haar dromen, ook na de oorlog.  

Van het moment van vrijlating tot aan het eind van de oorlog. Op 10 mei 1944 werd Rie vrijgelaten. Bij haar vertrek waren er vele berichtjes in de zomen van haar kleding genaaid. Die stuurde ze later, voor de gevangenen die ze schreven, door. Voor Rie was de thuiskomst emotioneel. Helaas vreesde het verzet dat ze weer zou worden opgepakt. Daarom moest ze direct onderduiken in Amsterdam. Op 8 mei 1945, één dag nadat de Canadezen met hun tanks in Amsterdam aankwamen, kon Rie in een vrachtwagen meerijden naar Zeeuws-Vlaanderen. Zodra ze over de Schelde waren, ging ze wandelen: terug naar haar ouderlijke huis in Lamswaarde. 

Huwelijk. Op de kermis in Hulst in 1948 ontmoette ze haar man, Daan Verbraeken. Hij was boekhouder bij een garagebedrijf en kwam uit Boschkapelle, een buurtschap van de gemeente Hulst. Ze trouwden nog in dat jaar en kregen vijf kinderen.

V.l.n.r. Cineaste Ellen van Kempen, Rie, Jan Pommer (voorzitter bestuur Gedenkplaats Kamp Haaren) en Henk van Helvert tijdens de vriendendag op 23 oktober 2021).

Tien jaar later. In mei 1955, tien jaar na de bevrijding, werd Rie’s oorlogsverleden haar te veel. Ze huilde een week om wat ze had meegemaakt en werd opgenomen. Een vrouwelijke psychiater luisterde goed naar haar. Ze adviseerde om meer stil te staan bij haarzelf en bij haar oorlogsverleden. Rie stond immers altijd klaar voor anderen, maar kon zelf haar eigen verhaal nergens kwijt. Haar man zei ‘Gooi al die oorlogsspullen maar weg’, echter de psychiater zei haar dat juist niet te doen. Immers de geborduurde handdoeken waren haar tastbare herinneringen aan Kamp Haaren en Kamp Vught. Daarom was ze zo blij dat haar moeder deze berichten uit de gevangenis had bewaard. Nog wat later kon ze de handdoeken goed gebruiken bij haar gastlessen op scholen.

Visie van Rie: haat lost niets op. ‘Zeker vandaag de dag moeten mensen hun leven in vrijheid niet licht opvatten. Bij een lezing in het Herinneringskamp Vught vroeg een kind mij: ‘Waarom ging u in het verzet? Haat u de Duitsers?’ Ik antwoordde: ‘Haat heeft nog nooit iets opgelost. Je moet blijven praten met de ander. Ik heb van nabij gezien wat haat met mensen doet. Hoe de Duitsers en NSB’ers zich misdroegen tegen Joden, verzetsstrijders en andersdenkenden. Het begint met hatelijke woorden, met het betichten van de ander van alles wat slecht gaat. En al heel snel gaat dit over tot een ongelijke behandeling, opsluiting, deportatie, het martelen en doden van de ander. Alleen als je elkaar gelijk behandelt en blijft praten, kun je met elkaar in vrede leven.’

De rouwkaart van Rie Blommaart wordt gesierd door de tekst:

Ik heb een steen verlegd,
in een rivier op aarde,
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten.
Ik leverde bewijs van mijn bestaan.
Omdat, door het verleggen van die ene steen,
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.

Rie heeft die steen verlegd. We zullen haar blijven herinneren als een fantastische vrouw die protesteerde tegen onrechtvaardigheid, die grote risico’s liep in de Tweede Wereldoorlog omdat ze zich inzette voor hulp aan talloze oorlogsslachtoffers en die zich erna sterk maakte voor het herdenken van de oorlog in het algemeen, en de Gedenkplaats Kamp Haaren in het bijzonder. Rie Blommaart overleed op 21 mei 2026 in Beverwijk.

Bovenstaand In Memoriam werd grotendeels ontleend aan het artikel dat Ellen Lock schreef na een interview met Rie Blommaart en dat gepubliceerd werd in: SVB/PUR-cliëntenblad Aanspraak Maart 2026. Het is in zijn geheel te lezen op: https://www.verhalenoverdeoorlog.nl/nl/interviews/marie-blommaart.

 

Back To Top